hokberlare.jpg (7898 bytes)


Sterven en begraven worden in Berlare

 
Wijlen Jo Van der Linden publiceerde in september 1991 een themanummer van ons tijdschrift onder de titel: "Berlaarse doodbeeldekens en rouwgebruiken" . Voor het gedeelte "Rouwgebruiken" had hij nog de gelegenheid gehad enkele mensen te interviewen die jarenlang een rol gespeeld hadden bij de begrafenissen zodat zijn tekst ons een duidelijk beeld geeft van die gebruiken. Wij verwijzen hier ook graag naar de foto's van de Berlaarse doden wagen ("dukrre") en het "hemeltje" in het vermelde nummer. We beperken ons hierna dan ook tot de jongste evolutie en enkele eerder anekdotische aanvullingen. 

De berechting 

Wanneer een gelovige zwaar ziek is of in levensgevaar verkeert, wordt door de familie een parochiepriester verwittigd om hem/haar het sacrament van de Ziekenzalving of het Heilig Oliesel toe te dienen. Dat is nog steeds bij de overgrote meerderheid van de mensen het geval, niettegenstaande de ontkerkelijking van onze maatschappij. De omstandigheden zijn echter sterk gewijzigd. 

Om te beginnen worden de meeste mensen die in stervensgevaar verkeren, toch nog opgenomen in een ziekenhuis, waar men alles doet om hun leven te redden. In het ziekenhuis zal men, wanneer de toestand van de zieke uitzichtloos wordt, de familie vragen of zij er akkoord mee gaat dat het H. Oliesel wordt toegediend. Dat gebeurt dan in het ziekenhuis en valt weinig op. 

De zogenaamde berechting gebeurt nu nog wel eens thuis, maar is veel minder opvallend geworden voor de buurt omdat de priester alleen komt en doorgaans per auto is, terwijl hij vroeger te voet kwam, vergezeld van een misdienaar met lantaarn en bel. 

Na het overlijden 

In het sterfhuis verwijderde men zo vlug mogelijk alle vleeswaren, want men meende dat die door de aanwezigheid van een lijk in de woning zouden bederven. Men had nogal wat vlees in huis in families waar men een of twee varkens per jaar slachtte: gezouten hespen en gezouten spek, en kortere tijd na het slachten ook nog bloedworsten, droge worsten, en kopvlees. Of dat vlees echt gevaar liep door de aanwezigheid van een lijk in huis, weet ik niet, maar men was daar toen wel van overtuigd. 

De dodenwake 

Dikwijls werd een jong meisje uit de buurt aangewezen om vr te bidden. Dat betekende dat zij dan vlak voor de dode zat gedurende de hele rozenkrans (= drie paternosters) gevolgd door de litanie van alle heiligen. Dat was voor een jong meisje dikwijls een diep aangrijpende gebeurtenis. Ook 's nachts moest er iemand bij de dode blijven waken. Die wake was voor menig jong persoon een angstaanjagende gebeurtenis. Stel u maar even zo'n situatie voor: in die tijd geloofde men dikwijls nog in spoken en er was geen straatverlichting zodat het 's nachts pikdonker was. Enkel het flikkerende kaarslicht naast de dode wierp een bewegend schijnsel op zijn gezicht. Bovendien veroorzaken in het lichaam gevormde gassen nog wel eens een kleine beweging van het lijk. 
Ik heb het verhaal horen vertellen van een meisje dat een dodenwake moest doen. Zij had een verliefde jongen afgewezen en die jongen heeft, om zich te wreken, een geit op zolder gestoken. We zouden dat nu "stalking" noemen. Het getrippel van die "bokkenpoten" en het gemekker van het dier hebben het arme kind letterlijk gek gemaakt van angst. Zij is in een psychiatrische kliniek beland. Dit verhaal is mij voor echt verteld, maar ik weet niet of het ook werkelijk gebeurd is. Indien iemand daar meer over weet, zou het ons natuurlijk zeer interesseren om dat te vernemen. 

Gedurende enkele jaren heeft men de dode lichamen in een plastiekzak gestopt, maar men ondervond dat dit problemen gaf voor de ontbinding van het lichaam door gebrek aan zuurstof en de plastiek zelf verteerde ook niet. Na enkele jaren werd dat gebruik verboden. 

De doodsbrieven 

Zij hadden een stereotype vorm: een dubbelgevouwen blad met brede zwarte rand. Het blad werd in vier gevouwen; aan een kant zat een lipje en in de andere was een insnijding voorzien zodat de brief kon gesloten worden zonder hem dicht te kleven. Het adres en de postzegel kwamen op de andere kant.

De begrafenis...

Voor het vervolg verwijzen we naar het artikel van Cyriel De Bruyne in ons tijdschrift (26e jaargang nr. 1, mei 2008)


Terug naar TIJDSCHRIFT