hokberlare.jpg (7898 bytes)


 

De Berlaarse brouwerijen

 

In deze tijd van luxe- en streekbieren beseffen we nog nauwelijks dat lang geleden iedereen, van klein tot groot, dagelijks zijn portie bier dronk. Bier was dan om hyginische redenen immers gezonder dan water.

Ons volk staat nog steeds bekend als een volk van bierdrinkers, en terecht. Zowel vroeger als nu werd wijn eerder als een luxeartikel beschouwd. Bier was er voor het gewone volk en het was dan ook nagenoeg de enige drank die als water gedronken werd. Aangezien het inzouten of pekelen van vlees, enz. zeer lang de enig bekende bewaringsmethode was, hoeft het niet te verwonderen dat onze voorouders er steeds dorstig bijliepen.

De tappers-herbergiers, die in de Middeleeuwen vaak hun eigen bier produceerden, gingen vanaf de 17de eeuw steeds meer hun bier bij een plaatselijke brouwer betrekken. Voor eigen gezin mocht men brouwen zonder "rechten" te betalen. 

De brouwers uit de regio Dendermonde waren eeuwen lang verplicht hun gerst te malen in de domaniale moutmolen. Hun brouwerijen waren tot in de eerste helft van de 19de eeuw meestal vrij klein. In de steden verenigden de brouwers zich in ambachten, met de bedoeling tegen misbruiken in eigen kring en vooral tegen de invoer van bier uit omliggende dorpen op te treden.

Op 3 februari 1441 kregen de Dendermondse brouwers van de Bourgondische hertog Filips de Goede een patent, waarbij in een straal van twee mijl rond de stad niemand nog bier mocht brouwen om het te verkopen, met uitzondering van de "kleine bieren". Ook dienden alle ingevoerde bieren eerst in Dendermonde gelost en gestapeld te worden. Dit patent werd in 1444 omgezet in een eeuwig privilege. Elk dorp had een bierhuisje, waar de tol diende betaald te worden. Na conflicten besloot de Grote Raad van Mechelen in 1680 het aantal brouwerijen buiten de halvemijlszone te beperken. Zo had Berlare recht op 3 brouwerijen, Zele 8. Deze mochten slechts voor eigen gebruik bier van max. 30 stuivers per ton produceren. In 1684 betaalde Berlare 22 pond als bijdrage. In 1746 kwam er een einde aan het monopolie van Dendermonde en in 1795 werden in onze gewesten alle ambachten afgeschaft. Nieuwe reglementeringen en belastingen zouden vanaf 1803 het enthousiasme van de brouwers vlug bekoelen.

In de eerste helft van de 19de eeuw zullen de bierbrouwerijen in het arrondissement van Dendermonde in omvang snel voorbijgestreefd worden door de schoenmakerijen en de olieslagerijen. In 1843 telde het arrondissement nog 83 bierbrouwerijen. De brouwers behoorden toen, samen met de dokter, de pastoor en de notaris, nog tot de notabelen van stad of dorp. Hun aandeel in de gemeentepolitiek was vaak niet te onderschatten. Velen waren op zijn minst voorzitter van een fanfare en ze brachten het geregeld tot burgemeester, wat ook in Berlare het geval was.

Vanaf ca. 1840 voerde men in de grote brouwerijen de stoomkracht in. De brouwsector diende zich geleidelijk te moderniseren. Vele oude brouwerijen verdwenen toen of werden vervangen door nieuwe, modernere bedrijven. Tozen in het begin van de 20ste eeuw de ondergistingsmethode steeds meer veld won, konden sommige brouwerijen het nodige kapitaal niet opbrengen om installatie aan deze nieuwe brouwmethode aan te passen. Ook de Eerste Wereldoorlog met zijn vernielingen, opeisingen van al het koperwerk en de schaarste aan grondstoffen heeft veel lokale brouwerijen de doodsteek gegeven. Na de oorlog diende men grote investeringen te doen. Zij die deze investeringen niet deden of ze niet te boven kwamen, dienden in de jaren dertig af te haken.

 

Het brouwen zelf

En van de eerste vereisten om bier te maken is uiteraard water. Niet alleen de hoeveelheid was van belang, ook de kwaliteit. Tot de 18de eeuw gebruikten de brouwers meestal put- en rivierwater. Waar waar dat niet voldoende voorhanden was, werden grote inspanningen geleverd om het aan te voeren, soms per schip. Dat verklaart waarom in Berlare de oudst gekende brouwerijen aan het Veer en het Sluis stonden.

Hoewel men tot in de 15de eeuw vooral tarwe en havermout zou gebruiken, haalde uiteindelijk toch de gerst de bovenhand. Om het bier wat meer pit en smaak te geven, ging men er gruit aan toevoegen. Dit was een samenstelling van allerlei aromatische kruiden. Vanaf de 15de eeuw zou gruit vervangen worden door hop. Naast de bittere smaak en het aroma, gaf hop het bijkomend voordeel dat het bier nu langer bewaard kon worden. Voor bier van het pilsener type gebruikt men op dit ogenblik ca. 2 g hop per liter bier. De meeste hop wordt nu ingevoerd. In ons land gaat de hopteelt zienderogen achteruit. Gist speelt ook een belangrijke rol in het brouwproces.

Het brouwen gebeurde in 3 fasen.

roerder

De gerst werd enkele dagen geweekt, dat deed de korrels kiemen, zo werd dit mout. Hierna werden de kiemkorrels verwijderd met een kafmolen. Het mout werd gemalen tot moutmeel. Tijdens het brouwproces werd het mout omgezet in een gesuikerde vloeistof, het wort. Daartoe diende het moutmeel in de roerkuip met warm water gemengd. Om klontervorming te voorkomen, diende men urenlang in het beslag te roeren, wat tot laat in de 19de eeuw manueel gebeurde. De stoommachine bracht hier verbetering in. Het wort vloeide naar de koperen ketel. Daar voegde de brouwer er de gewenste hoeveelheid hop aan toe. Nu was het beslag aan filtering toe. Een zeef hield het moutafval tegen. Dat afval of draf diende als veevoer. Er kon ook een tweede brouwsel van gemaakt worden met uiteraard veel lichter bier. Het brouwerspersoneel gebruikte dit om thuis eigen bier te maken. Na afkoeling werd de gist aan het wort toegevoegd. De gisting (4 6 dagen) zette de suikers om in alcohol en koolzuur. Wort was veranderd in bier. Het jonge bier moest nog verder rijpen en op smaak komen (lageren).

Tot ca. 1900 werd uitsluitend bier van hoge gisting gebrouwen (15 20). De gist stijgt naar boven en wordt afgeschuimd. Deze afgedreven gist werd door velen met de kan afgehaald en gebruikt voor het bakken van brood voor eigen gebruik. 

Rond 1900 werden naast houten vaten ook flessen gebruikt. Aangezien bier geen licht verdraagt, waren die steeds in groen of bruin glas. De naam van de brouwerij werd er meestal op gezandstraald. Niettegenstaande we een beroep deden op diverse verzamelaars van brouw- en biermaterialen, konden we voor Berlare niets vinden van die aard. De Berlaarse brouwerijen leken ook niet zo belangrijk en waren meestal een kort leven beschoren.

De Berlaarse brouwers

In Berlare en ook in de omliggende gemeenten waren bijna alle brouwers, hetzij door afstamming of huwelijk verwant aan elkaar. Zoals boven vermeld, vroeg het oprichten van een brouwerij een grote investering en was dus het voorrecht van de meest begoeden. In Berlare waren het familiebedrijven en vennootschappen.

De oudste ons bekende brouwers waren Pieter Bauwens (1682) en Gillis Veldeman. Hun nageslacht zou het tot in de jaren dertig volhouden...

schop

 

Lees het vervolg van het artikel in het tijdschriftnummer 1 van de 18de jaargang, mei 2000

 

Rosane Venneman

Terug naar TIJDSCHRIFT