titel HOK (7898 bytes)


 

Het Gemeentelijk Onderwijs in Berlare (2)

Bijdrage door Cyriel De Bruyne en Rosane Venneman

Het volledige artikel werd gepubliceerd in ons tijdschrift (mei 1999) en behandelt de periode vanaf de Eerste Wereldoorlog tot het einde in 1964.

 


 

Tussen de twee wereldoorlogen:

 

Het lijkt ons nuttig even terug te blikken op de vorige bijdragen over het onderwijs in Berlare.

Onze vorige aflevering over de Gemeenteschool eindigden we met de volgende zinnen:

"De belangrijkste wijziging van de twintigste eeuw in het lager onderwijs is zonder enige twijfel de invoering van de leerplicht tot 14 jaar voor alle kinderen. Zoals we reeds schreven in ons artikel over de meisjesschool werd de wet gepubliceerd op 19 mei 1914, maar de uitvoering ervan werd door de oorlogsomstandigheden pas in 1918 doorgevoerd."

In ons artikel over de meisjesschool vatten we de vernieuwing als volgt samen:

"Op 19 mei 1914 kwam een van de belangrijkste mijlpalen in het onderwijs in België tot stand: de leerplicht voor alle kinderen tot hun veertiende jaar. De kinderen moesten dus gedurende acht jaar (6 j-14 j.) onderricht krijgen. Er werd aan het bestaande lager onderwijs van drie graden één graad toegevoegd. Die vierde graad bestond hier en daar reeds als aanvullende graad, maar eigenlijk moest men de programma's voor de veralgemeende vierde graad nog opstellen. Pas in 1920 verscheen een eerste programma, dat twee jaar later reeds herzien terug uitgegeven werd en daarna bleek dat men eigenlijk beter de leerplannen voor het hele lager onderwijs zou herdenken."

De personeelsevolutie in de jaren twintig:

Op 21 december 1918 neemt onderwijzer De Bièvre ontslag om in de Gemeenteschool van Wieze benoemd te worden. Hij wordt vervangen door de heer Juul Hector Temmerman uit Kalken.

De heer Temmerman zal echter maar voor de rest van het schooljaar blijven. Op 27 september 1919 vernemen we zijn ontslag en zijn vervanging door Oscar Van Kerckhove van Zele (°1899). In dezelfde vergadering wordt ook een onderwijzer aangesteld voor de nieuw in te richten zesde klas.

Het wordt de heer Oscar Meysman uit Sint-Gillis-Dendermonde (°1895). Ze zullen beiden in dienst treden op 1 oktober 1919. Op 29 december 1919 wordt ook Jozef Bogaert uit Hamme (°1899) benoemd omwille van de nieuw opgerichte zevende klas.

Wellicht door de werkelijke uitvoering van de wet op de schoolplicht stijgt het aantal leerlingen nu vlug tot 397 (op 1 mei 1920): de heren Basiel Veldeman, Petrus Waegeman, Valère De Veirman, Oscar Van Kerckhove, Jos Bogaert, Jules Van Dorsselaer, Gustaaf Van Dorsselaer en mevrouw Goemaere (die in de oorlog haar echtgenoot verloren had en in 1920 gehuwd is met Jos Bogaert). Gustaaf Van Dorsselaer neemt ontslag op 1 mei 1921 omwille van zijn benoeming in Lebbeke. Hij wordt wegens gebrek aan gediplomeerde onderwijzers op dat ogenblik eerst korte tijd vervangen door een niet gediplomeerde: mejuffrouw Maria Julia Van Malderen. Ze wordt dan vanaf het volgende schooljaar vervangen door mejuffrouw Maria Ferdinanda De Bock (° Berlare, 1901), later bekend als "Madam Verkest". Zij gaf hier al les in de aangenomen meisjesschool.

De personeelswisselingen gaan nu zeer snel: het is zelfs enigszins onduidelijk in sommige gevallen. Een voorbeeld: Gustaaf Van Dorsselaer vervangt Oscar Van Kerkchove die ontslag neemt omdat hij in de Gemeenteschool van Zele benoemd is. Wij vernemen in het verslag van de zitting van 29 oktober 1920 dat Van Dorsselaer Gustaaf in dienst zal treden op 1 november 1920, terwijl zijn naam al op de personeelslijst stond die we zopas citeerden (van 1 mei van datzelfde jaar).

Jules Van Dorsselaer verdwijnt in op 18 november 1921 ook uit Berlare (benoemd aan de Middelbare school te Dendermonde) en wordt vervangen door mejuffrouw Van Bockstael Maria Henrica uit Sint-Kwintens-Lennik (°11/5/1902) - dochter van de politiecommissaris. Ze is bekend geworden als "'t klein madammeken"

Voor de nieuw opgerichte achtste klas wordt Lodewijk-Maurice De Gols uit Oudegem (°22/1/1893) benoemd vanaf 1 januari 1922. Wat die achtste klas betreft, dat is ons niet helemaal duidelijk: op de personeelslijst van 1 mei 1921 stonden ook reeds acht onderwijzers! Waren er toen al ontdubbelde klassen?

 

De weddes en andere kosten:

De weddes van het onderwijzend personeel stijgen dan pijlsnel: de basiswedde van 1200 F van net voor de oorlog stijgt nu in korte tijd naar 3000 F en zelfs naar 4800 F op 1 januari 1921, de tweejaarlijkse weddeverhoging van 100 naar 200 F.

In een ministeriële omzendbrief wordt aanbevolen aan het onderwijzend personeel een "duurtetoelage" te geven voor het derde kwartaal van 1919 van 10 % van de wedde en 20 F per kind. De meeste gemeenten geven hieraan gevolg. Berlare laat zich blijkbaar wat pramen: na vraag van de Directies en het personeel van de beide scholen besluit de gemeenteraad op 13/81921 een toelage toe te kennen van 5 % op de wedde en 15 F per kind en per maand.

Wij vernemen ook dat "vrouw Charel Clinck-Fruythof" voor de dagelijkse reiniging van de klassen 40 F per klas kreeg vanaf 1920.

De Gemeenteschool kostte in het jaar 1921 5990 F aan de Gemeente:

Terloops vermelden we ook dat in 1921 door het gemeentebestuur de toelating gegeven wordt een vrije dag te nemen op de zogeheten "afgestelde heiligdagen" (bijvoorbeeld: Driekoningen, Lichtmis, e.a.) op voorwaarde dat de onderwijzers met hun kinderen de hoogmis bijwonen.

klasfoto 7de jaar 1937 (29 Kb)Klasfoto 7de jaar 1937

Medisch schooltoezicht:

In 1919 wordt in uitvoering van de wet op het lager onderwijs het medisch schooltoezicht ingesteld. Voor de Gemeenteschool wordt Dr. Lemmens Henri aangesteld. Deze aanstelling gebeurt voor een periode van vijf jaar. De dokter zal éénmaal per maand de school moeten bezoeken, en ingeval van besmettelijke ziekte zal hij het aantal bezoeken moeten verhogen. Hij krijgt 3 F per leerling die de helft van de schooldagen zal aanwezig geweest zijn. Deze beslissing wordt van kracht op 1 oktober 1921. De dokter zal bijgestaan worden door juffrouw Maria Van Malderen. Zij neemt ontslag op 1 juni 1936 en gezien de slechte toestand van de gemeentekas wordt haar functie meteen afgeschaft.

Het schooltoezicht wordt vanaf 1 januari 1945 uitgevoerd door Dr. Defleur (Dr. Van Heden voor de meisjesschool). In 1948 worden de vergoedingen aangepast: 10 F per leerling voor het medisch schooltoezicht en 5 F voor de jaarlijkse inentingen. In hetzelfde verslag wordt nog een drastische verhoging aangekondigd te beginnen met het jaar 194 (geen vergissing! het juiste jaartal is niet ingevuld in het verslag). Deze aangekondigde vergoedingen bedragen: 20 F voor het toezicht en 12 voor de jaarlijkse inenting.

klasfoto 8e jaar 1936-37 (36 Kb)8e klas 1936 - 1937

Zuinigheid: mooi en minder mooi!

Op 16/11/1920 schrijft de Burgemeester (Gustaaf Van Den Berghe) een brief aan de hoofdonderwijzer (Veldeman) om hem opmerkzaam te maken op nutteloos verbruik van kolen in sommige klassen.

Sommige onderwijzers zouden "hunne stoof nog met kolen opvullen bij het eindigen der klas des namiddags". Hij vraagt dan "het verbruik der kolen zo te schikken in verhouding met de weersgesteltenis en na 3 1/2 ure de stoof niet meer op te vullen en de Zoo te regelen dat alle vuur bij het eindigen der klas uitgedoofd zij."

Dit is natuurlijk redelijk.

Het volgende kunnen we met onze huidige mentaliteit minder waarderen omdat deze houding ervan uitgaat dat elke zieke in de eerste plaats een profiteur is:

- In het verslag van de Gemeenteraadszitting van 19 oktober 1933 vernemen we dat zieke onderwijzers 10 % van het salaris van de interimaris zelf moesten betalen! Zij verzoeken het Gemeentebestuur dit deel ook ten laste te nemen omdat een zieke reeds extra kosten en lasten te dragen heeft.

De Raad antwoordt: "Overwegende dat omrede van spaarzaamheid het best is dat de 10 % door de onderwijzers gedragen worden, die dan alle belang hebben van het werk te hernemen zodra hunne toestand zulks toelaat. Besluit : met algemeene stemmen voornoemde vraag te onderwerpen." (= verwerpen).

- Nog minder fraai is het volgende:

In 1933 woedt de wereldwijde economische crisis volop. Raadsheren Sacré en De Schepper stellen voor aan de kinderen soep uit te delen in de school "gezien dat ten gevolge der krisis de ouders hunne kinderen het noodige voedsel niet meer kunnen geven en dat uit oorzaak der ondervoeding de kinderen beter vatbaar zijn voor ziekten".

De Raad erkent dat "gezegde inrichting voorzeker voordeelig zoude zijn voor onze kinderen," maar verwerpt het voorstel omdat de financiële middelen van de Gemeente door de crisis zeer verminderd zijn en de schoolsoep grote kosten zou meebrengen. Het voorstel wordt verworpen met vijf stemmen (met naam vermeld in het verslag: Van den Breen, De Bock, D'Hooghe, De Grauwe, Samson) tegen drie (niet uitdrukkelijk met naam vermeld).

 


Terug naar ARCHIEF